Hoe een product precies gemaakt wordt, zit bij veel bedrijven waar we komen op drie plaatsen tegelijk: bij de operator, in een Excel-lijst en op het blad naast de machine. Zo is het gegroeid en zo werkt het ook, tot je het moet overdragen aan een nieuwe ploeg of achteraf wil nakijken wat er die dag gold.
In AIONIX leg je dat vast als een digitaal productieproces in een verbonden MOM-platform (Manufacturing Operations Management): productieplanning, uitvoering op de vloer, kwaliteit en onderhoud lezen hetzelfde procesmodel, in plaats van elk in een eigen bestand of systeem. Voor maakbedrijven met complexe, terugkerende processen zit daar het verschil met een losse procesbeschrijving.
Hieronder staat hoe je zo'n productieproces opbouwt, aan de hand van een bakkerij die chocoladekoekjes maakt.
Wat een productieproces is
Een productieproces is het digitale model van hoe je product gemaakt wordt. Je bouwt het zelf op, bewerking per bewerking, en het staat los van de orders die erop draaien.
Vergelijk het met een recept. Een recept zegt niet hoeveel koekjes je vandaag bakt, wel in welke volgorde je werkt, hoe warm de oven moet staan en waaraan je ziet dat het gelukt is.
Voor de chocoladekoekjes ziet dat er zo uit:
| Middel | Instellingen en controle | |
|---|---|---|
| 10 Deeg mengen | MENG-01 | Mengtijd 8 min, gewicht controleren |
| 20 Uitsteken | STEEK-02 | Uitsteekvorm chocoladekoek, visuele controle |
| 30 Bakken | OVEN-01 | 180 °C, 12 min, kleur controleren |
| 40 Verpakken | VERP-01 | 12 stuks per pakje, gewicht controleren |
Een productieproces is geen productieorder
Dit onderscheid loopt het vaakst mis. Het productieproces zegt hoe we het maken. De productieorder zegt wat en hoeveel, en komt uit je ERP: 1200 pakjes chocoladekoekjes, klaar tegen donderdag.
Hetzelfde productieproces bedient veel orders. Gaat de baktijd van 12 naar 13 minuten, dan pas je het model aan. Niet elke order apart, en niet het blad naast de machine.
Wat al loopt, blijft draaien op de versie waarmee het gestart is. PO-1041 bakt dus zijn 12 minuten uit, de nieuwe tijd geldt vanaf de volgende order. Komt er later een klacht, dan weet je nog altijd welk voorschrift die dag gold.
Machines en uitrusting
Een productieproces legt niet vast op welke machine iets draait. Bij bewerking 30 duid je aan welke ovens het mogen zijn: OVEN-01, OVEN-02 en OVEN-03, de drie die dit product aankunnen. Welke van de drie het wordt, beslis je pas bij de order. Je kiest er zelf een, of je laat de productieplanning kiezen op basis van wat vrij is.
Achter die keuze zit een fysiek toestel: OVEN-01, met een serienummer en een onderhoudshistoriek. Dat onderscheid telt zodra je begint te analyseren. Komen de bleke koekjes altijd uit dezelfde oven, dan wil je dat kunnen zien.
Uitrusting die per order wisselt is ook zo'n toestel. De uitsteekvorm hangt niet permanent in STEEK-02, dus het productieproces zegt welke vorm bij deze bewerking hoort. Of ze er bij de start ook echt in zit, bewaakt de opvolging op de vloer.
Hoe de processen elkaar opvolgen
Elke bewerking uit die tabel is zelf een productieproces. Wat ze samenhoudt is de productieroute: de volgorde waarin ze draaien. Elke stap in die route wijst naar het proces dat erbij hoort, en een stap kan ook wijzen naar een proces dat zelf uit meerdere bewerkingen bestaat. Onder Verpakken zit zo een eigen route, met In trays leggen en Dozen vullen.
Omdat elk proces op zichzelf staat, kan een ander product naar hetzelfde proces wijzen. Maak je later ook boterkoekjes, met ander deeg en een andere baktijd maar dezelfde verpakking, dan hergebruikt die route gewoon Verpakken. Pas je de verpakking aan, dan volgt alles wat ernaar wijst. Zo bouw je een bibliotheek op in plaats van elke keer opnieuw te beginnen.
Tijdens de uitvoering vult die route zich in: wat klaar is met toestel en draaitijd, wat loopt met zijn voortgang, wat nog moet komen in het grijs. Voorschrift en realiteit zitten in hetzelfde model, dus een afwijking valt meteen op. Draaide de oven op 174 °C in plaats van 180? Dan zie je dat bij bewerking 30, op de order waar het gebeurde, en niet drie dagen later bij een klacht over bleke koekjes.
Hoe je het opbouwt
Dit is werk voor je werkvoorbereiding of je productiemanager: invulwerk, geen programmeerwerk. Per bewerking leg je vier dingen vast:
- De machines die het mogen draaien.
- De instellingen die het resultaat bepalen: tijden, temperaturen, aantallen.
- Wat er gecontroleerd wordt, en waarop.
- De plaats in de productieroute.
Dat is het werk. Je verzint er niets bij: je schrijft op wat je beste operator sowieso al doet, zodat de volgende ploeg het ook zo doet.
Conclusie
De order komt uit het ERP en zegt wat en hoeveel. Het productieproces zegt hoe. De werkvloer voert uit en meet, en de gemeten productie gaat terug naar het ERP.
Zolang dat "hoe" in hoofden en Excel-lijsten zit, verschilt elke order een beetje van de vorige en kan je achteraf niet zeggen waarom. Zet het in het model en je krijgt een voorschrift dat elke keer hetzelfde is, plus productiegegevens die je daarmee kan vergelijken. En zodra planning, kwaliteit en onderhoud op datzelfde model aansluiten, lees je een afwijking niet meer als een los cijfer: je ziet bij welke machine, welke ploeg, welke controle en welk onderhoud ze hoort.
Begin bij het product dat het vaakst draait en schrijf op wat er vandaag echt gebeurt. De rest van je assortiment volgt daarna sneller dan je denkt, omdat de bewerkingen die terugkomen er dan al staan.